Plagiocephalie

Gepubliceerd: maandag 28 september 2015
Geschreven door B. Vaes

Plagiocephalie

Bij pasgeborenen kan er een asymmetrie in de schedel aanwezig zijn, de schedel is dan meestal scheef afgeplat. In dit geval spreken we van plagiocephalie.
Het schedeltje van een pasgeborene is nog heel zacht.
In de baarmoeder is er geen druk op het hoofdje van de baby, maar na de geboorte komt het hoofdje op een "harde" ondergrond te liggen. Door deze "harde" ondergrond kan het nog zachte schedeltje afplatten.


De richtlijn ter preventie van wiegendood die in Nederland sinds de jaren negentig wordt gevolgd, adviseert baby's op hun rug te laten slapen, totdat ze zelfstandig kunnen omrollen. Sinds het invoeren van dit goede advies is het aantal kinderen met een asymmetrisch hoofdje toegenomen.

Sommige baby's hebben nog niet voldoende kracht om hun hoofdje zelf regelmatig te draaien en blijven dan te lang met hun hoofdje aan één kant liggen, wat de afplatting alleen maar meer maakt.

plagiocephalie en brachiocephalie 
Plagiocephalometrie

Alweer een moeilijk woord, dat aangeeft dat de mate van afplatting van de schedel gemeten kan worden.
Hiervoor wordt er met een zachte thermoplast band een afdruk van het scheve hoofdje gemaakt.
Naar aanleiding van deze meting kan besloten worden of er mogelijk een structurele aandoening aanwezig, waarvoor een verwijzing naar de kinderarts noodzakelijk is. Indien er geen structurele vormverandering aanwezig is, kan ik een kinderfysiotherapeutische behandeling starten.
De plagiocephalometrie kan gebruikt worden om de mate van verbetering in kaart te brengen.

Wetenschappelijk onderzoek

Gepubliceerd: zaterdag 02 mei 2015
Geschreven door B. Vaes

De betrouwbaarheid van de “Clinical Assessment Posterior Muscles” bij patiënten met chronische aspecifieke lage rugpijn.

 

 

Voor het voltooien van de opleiding Master Specialized Physical Therapy is Ben Vaes gestart met een wetenschappelijk onderzoek, de zogenaamde "masterthesis". In dit geval gaat het onderzoek over de betrouwbaarheid van een meetinstrument.


Inleiding.
Wij vragen u vriendelijk om mee te doen aan een wetenschappelijk onderzoek. U beslist zelf of u wilt meedoen. Lees deze informatiebrief rustig door.
Dit onderzoek vindt plaats op de Klompmakerstraat 1C in Assen en wordt door dhr. Ben Vaes en mevr. Mary Vaes- Schuringa uitgevoerd. U kunt ons bereiken op telefoonnummer: 0592-860500.
Voor dit onderzoek zijn minimaal dertig mensen nodig.

Doel.
De “Clinical Assessment Posterior Muscles” kortweg CAPM is een scoreformulier die door de fysiotherapeut wordt gebruikt om de kwaliteit van een spieraanspanning in de lage rug te meten. Van dit scoreformulier is niet bekend of het betrouwbaar is in de praktijk. Dit onderzoek zal daar meer duidelijk in kunnen geven.

Hoe wordt het onderzoek uitgevoerd?
Er wordt met dit onderzoek geen behandeling gegeven. Er wordt een meetinstrument getoetst (de CAPM), waarbij de score van één onderzoeker wordt vergeleken met de score van een tweede onderzoeker. Beide onderzoekers nemen, onafhankelijk van elkaar, de CAPM bij u af. De mate waarin de score van de twee onderzoekers overeenkomt zegt iets over de betrouwbaarheid van dit scoreformulier.

Wat wordt er van u verwacht?
Wij willen u vragen of wij in onze praktijk dit scoreformulier bij u af mogen nemen. Dit kan voorafgaand aan de fysio/ manueel therapeutische behandeling waarvoor u al een afspraak had in onze praktijk. Er zullen geen bijwerkingen zijn naar aanleiding van dit onderzoek.
Wij zijn op zoek naar mannen en vrouwen tussen de 18 en 65 jaar met langer bestaande lage rugklachten, waarvoor geen specifiek medische oorzaak te vinden is.
Bent u zwanger, of geeft u borstvoeding? Dan mag u niet aan dit onderzoek meedoen.

Voor en nadelen.
Het voordeel wat u heeft van deelname aan dit onderzoek is dat uw fysiotherapeut een goede inschatting kan maken van de kwaliteit van uw rugspieren en eventuele training van uw rugspieren hierop kan aanpassen. Voor de toekomst kan het onderzoek nuttige gegevens opleveren. Er zijn geen bekende nadelen van deelname aan dit onderzoek

Wat gebeurt er als u niet wenst deel te nemen aan dit onderzoek?
U beslist zelf of u meedoet aan het onderzoek. Deelname is vrijwillig. Als u besluit niet mee te doen, hoeft u verder niets te doen. U hoeft niets te tekenen. U hoeft ook niet te zeggen waarom u niet wilt meedoen. Als u patiënt bent, krijgt u gewoon de behandeling die u anders ook zou krijgen. Als u wel meedoet, kunt u zich altijd bedenken en toch stoppen. Ook tijdens het onderzoek.

Wat gebeurt er als het onderzoek is afgelopen?
De behandeling die u na het afnemen van dit onderzoek krijgt zal niet anders zijn dan wanneer u niet deel heeft genomen aan het onderzoek.
Als alle gegevens verzameld zijn kan er uiteindelijk een conclusie getrokken worden over de betrouwbaarheid van de CAPM.

Wat gebeurt er met uw gegevens?
Voor dit onderzoek is het nodig dat uw medische en persoonsgegevens worden verzameld en gebruikt. Elke proefpersoon krijgt een code die op de gegevens komt te staan. Uw naam wordt weggelaten.

Uw gegevens
Al uw gegevens blijven vertrouwelijk. Alleen de onderzoekers weten welke code u heeft.
Uw gegevens, zonder naam (!) worden verwerkt in de statistieken van het onderzoek.
Sommige mensen mogen uw medische en persoonsgegevens inzien. Dit is om te controleren of het onderzoek goed en betrouwbaar is. Algemene informatie hierover vindt u in de brochure ‘Medisch-wetenschappelijk onderzoek’.
Mensen die uw gegevens kunnen inzien zijn het onderzoeksteam, dhr. R. Groeneweg (thesisbegeleider Master Specialized Physical Therapy) en indien van toepassing de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Zij houden uw gegevens geheim. Als u de toestemmingsverklaring ondertekent, geeft u toestemming voor het verzamelen, bewaren en inzien van uw medische en persoonsgegevens.

De onderzoeker bewaart uw gegevens [15] jaar.

Zijn er extra kosten/is er een vergoeding wanneer u besluit aan dit onderzoek mee te doen?
De proefpersoon hoeft geen kosten te betalen voor het onderzoek en krijgt geen vergoeding voor deelname.

Bijlagen:
Toestemingsformulier

 

 


Toestemmingsformulier
“De betrouwbaarheid van de “Clinical Assessment Posterior Muscles” bij patiënten met chronische aspecifieke lage rugpijn.”

•    Ik heb de informatiebrief voor de proefpersoon gelezen. Ik kon aanvullende vragen stellen. Mijn vragen zijn genoeg beantwoord. Ik had genoeg tijd om te beslissen of ik meedoe.
•    Ik weet dat meedoen helemaal vrijwillig is. Ik weet dat ik op ieder moment kan beslissen om toch niet mee te doen. Daarvoor hoef ik geen reden te geven.
•    Ik weet dat sommige mensen mijn gegevens kunnen zien. Die mensen staan vermeld in de  informatiebrief.
•    Ik geef toestemming om mijn gegevens te gebruiken, voor de doelen die in de informatiebrief staan.
•    Ik geef toestemming om mijn onderzoeksgegevens 15 jaar na afloop van dit onderzoek te bewaren.
Ik wil meedoen aan dit onderzoek.

Naam proefpersoon:               
Handtekening:                            Datum    : __ / __ / __


-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Ik verklaar hierbij dat ik deze proefpersoon volledig heb geïnformeerd over het genoemde onderzoek.

Als er tijdens het onderzoek informatie bekend wordt die de toestemming van de proefpersoon zou kunnen beïnvloeden, dan breng ik hem/haar daarvan tijdig op de hoogte.

Naam onderzoeker (of diens vertegenwoordiger):
Handtekening:                            Datum: __ / __ / __

DCD

Gepubliceerd: maandag 27 april 2015
Geschreven door B. Vaes

Wat is DCD?

Sinds 1994 is DCD de internationaal gebruikte term voor kinderen met diverse soorten motorische stoornissen.
Vóór die tijd waren ze bekend als houterige of clumsy kinderen, kinderen met Minor Neurological Dysfunctions (MND), kinderen met een Dysfunction of Attention and Motor Perception (DAMP) of kinderen met dysplasie. DCD staat voor Developmental Coordination Disorder, in het Nederlands vertaald als stoornis in de ontwikkeling van de coördinatie van bewegingen.

Dit is een verzamelnaam voor een aantal kenmerken van (licht) gestoorde motorische functies, zoals een lage spierspanning, een grote bewegingsonrust, coördinatieproblemen of problemen met fijnmotorische vaardigheden. Deze problemen kunnen apart voorkomen, maar veel vaker treden ze in combinatie op. DCD lijkt voor te komen bij 5 tot 10% van de schoolgaande kinderen. Vaak zijn het jongens. In diverse onderzoeken worden verhoudingen genoemd van 4 tot 10 jongens op 1 meisje.

De oorzaak

De naam DCD zegt niets over de achterliggende oorzaak. Het zegt meer dat er iets met de motoriek aan de hand is, dan wat er aan de hand is.Motorische onhandigheid wordt meestal wel beschouwd als een uiting van een in aanleg niet optimaal ontwikkeld zenuwstelsel.

Bijkomende problemen

Een niet optimaal ontwikkeld zenuwstelsel kan ook gevolgen hebben op andere ontwikkelingsgebieden. Zo hebben kinderen met DCD vaker dan gemiddeld last van spraak-stoornissen en problemen bij het zindelijk worden. Daarnaast gaat DCD méér dan gemiddeld gepaard met ADHD en leerproblemen en kampen kinderen met DCD méér dan het gemiddelde kind met een laag zelfbeeld.

Eerste signalen

Signalen van afwijkende motoriek zijn op jonge leeftijd niet eenvoudig te constateren. De ontwikkeling van het zenuwstelsel van jonge kinderen met de daarbij behorende zogenaamde motorische mijlpalen kent een grote variatie. Bij de helft van de kinderen bij wie later DCD-problemen worden geconstateerd, wordt dat op de peuter- en kleuterleeftijd niet opgemerkt. Aan de andere kant kunnen op jonge leeftijd DCD-problemen worden geconstateerd die later vanzelf verdwijnen.
 

Behandelen

Hoewel een deel van de kinderen met DCD over de problemen lijkt heen te groeien, kan onderzoek en/of behandeling wel nodig zijn. Enerzijds omdat ernstige stoornissen met een voortschrijdend karakter (zoals een spierziekte) moeten worden uitgesloten.
Verder is het belangrijk nauwkeurig te onderzoeken op welke terreinen de motorische problemen het kind belemmeren in zijn functioneren. Het soort therapie hangt af van het soort motorische probleem, de leeftijd van het kind, zijn verstandelijke vermogens en de aanwezigheid van bijkomende stoornissen.
 

De aanpak

Als een kind onhandig is en geen neurologische dysfuncties vertoont, kan de motorische ontwikkeling worden gestimuleerd door extra oefeningen. Dat kan onder leiding van een kinderfysiotherapeut, maar ook door op school en thuis extra te spelen en te oefenen. Het kind heeft hier natuurlijk veel aanmoediging bij nodig, omdat juist deze oefeningen hem extra moeite kosten. Kinderen met een lage spierspanning zijn eveneens gebaat met algemene motorische stimulatie. Bij kinderen met neurologische dysfuncties is het advies afhankelijk van het type dysfunctie. Hebben kinderen problemen in de sfeer van de coördinatie en/of fijnmotorische vaardigheden, dan is specifieke fysiotherapie op z’n plaats. Bij kinderen die voornamelijk last hebben van extreme bewegingsonrust is therapie niet noodzakelijk. Het is voldoende om aan de omgeving, ouders en leerkracht uit te leggen dat het kind niet willens en wetens zo onrustig is en dat vermaningen weinig zin hebben omdat bij stress de onrust alleen maar toeneemt. Beter is het om het kind af en toe zijn onrust te laten uiten; dat kan bijvoorbeeld door hem of haar even te laten opstaan, een boodschap te laten doen etc.
Het heeft ook geen zin om deze kinderen te berispen over een slecht handschrift. Onder invloed van de druk zal het handschrift alleen maar slechter worden. Over de effectiviteit van motorische training bij kinderen met DCD bestaat veel onduidelijkheid. Is het de extra aandacht die het kind krijgt, de spontane ontwikkeling of de specifieke training die de motoriek verbetert?


Kenmerken van kinderen met DCD

DCD, Developmental Co-ordination Disorder, wordt officieel vast gesteld aan de hand van criteria uit de DSM (het internationale handboek met beschrijving van psychiatrische stoornissen). In de DSM staat dat er sprake is van DCD als:
A. De uitvoering van dagelijkse handelingen, welke motorische coördinatie vereisen, is beduidend slechter dan verwacht gezien de chronologische leeftijd van een kind en het gemeten intelligentieniveau. Dit kan tot uiting komen in het later bereiken van motorische mijlpalen (zoals lopen, kruipen, zitten), in het laten vallen van voorwerpen, ‘houterigheid’, slechte prestaties bij sport, of een slecht handschrift.
B. De aandoening zoals vermeld onder criterium A beïnvloedt zichtbaar de schoolse prestaties of algemene dagelijkse activiteiten.
C. De aandoening is niet het gevolg van een medische conditie (zoals cerebrale parese of spierdystrofie).
D. Als er sprake is van mentale retardatie, moeten de motorische problemen ernstiger zijn dan de problemen die normaal gesproken bij mentale retardatie voorkomen.